Studie aan de WUR
Van 1971 tot 1977 studeerde ik biologie aan de WUR (Wageningen University & Research Centre), toen nog LH (Landbouwhogeschool). Na de propedeuse kon je ervoor kiezen om de studie voort te zetten in één van de drie richtingen: 1. celniveau (met de focus op biochemische processen), 2. individu-niveau (met het accent op organismen: insecten, planten, zoogdieren) en 3. populatie-niveau (met aandacht op processen in populaties). Ik was vooral gefascineerd door het wonder van de groei van organismen. Bijvoorbeeld: de groei van een boom, de processen waardoor die in de lengte groeit, houtvaten vormt maar ook in omtrek toeneemt. En dat zo’n boom dan in staat is om water en mineralen diep uit de bodem te transporteren naar bladeren hoog in de kroon.
Of neem het wonder van de groei van een zoogdier embryo. Hoe uit een zich delende bevruchte eicel prachtige gespecialiseerde cellen ontstaan zoals spier- en zenuwcellen en weefsels die nauw samenwerken zoals in een orgaan als het oog. Onderzoekers hebben veel onderzocht over de afscherming van de erfelijkheidsdragers in cellen, waardoor die zich kunnen specialiseren. Maar wie of wat nu eigenlijk richting geeft aan dit proces, is voor zover ik weet nog steeds een raadsel. Het leven is werkelijk een groot raadsel en voor mij laat dit geheim mij iets ervaren van het mysterie en tegelijk de grootheid van de Schepper, van wie de Bijbel zegt dat Hij alles draagt door het Woord van Zijn kracht.
Onderzoek naar de biodiversiteit van Zeeuwse veedrinkputten en afstudeerscriptie
Ik deed een onderzoek op populatie-niveau op het Delta-instituut in Yerseke (nu onderdeel van het NIOZ, Nederlands Instituut voor het Onderzoek van de Zee) naar veedrinkputten als aquatische instabiele ecosystemen. Maar mijn hoofdonderzoek betrof een onderzoek naar micro-evolutie, c.q. de aanpassing van stippelmotten aan hun verschillende voedselplanten (zoals appel, meidoorn, wilg, kardinaalsmuts). Ik voerde dit onderzoek uit bij prof. dr. L.M. Schoonhoven hoogleraar Oecofysiologie, en het leidde ook tot een publicatie: Schoonhoven, L.M., Tramper, N.M., Drongelen, W. van: Functional diversity in gustatory receptors in some closely related Yponomeuta species (Lep.). Neth. J. Zool. 27,287-291 (1977)

Het onderzoek stond in het kader van een samenwerkingsverband met de afdeling evolutiebiologie van de universiteit Leiden. Prof. Schoonhoven was een enthousiaste begeleider. Hij wist zelfs een promotieplaats voor drie jaar bij de Academie voor de Wetenschappen voor mij te organiseren. Het moet een bijzondere teleurstelling voor hem geweest zijn dat ik van het PhD-onderzoek afzag. Ik zag mezelf niet nog drie jaar op een lab zitten, ik wilde met mensen werken en ik wilde verder met theologie.
W. van Drongelen heeft het onderzoek voortgezet. Zie: https://edepot.wur.nl/202093 En ik koos voor het leraarschap. Zes jaar was ik leraar biologie aan het Chr. Lyceum voor Zeeland te Goes en intussen studeerde ik theologie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.
Actie voeren tegen de verwoesting van het eeuwenoude Zeeuwse landschap
Met mijn vrienden Rien en Chiel Jacobusse deed ik intussen onderzoek naar de biodiversiteit van het unieke Zuid-Bevelandse heggenlandschap. Met elkaar vormden we een soort milie- en natuurwacht. Chiel zou later, in dienst van Het Zeeuws Landschap, een van de meest bekende Zeeuwse ecologen worden. In de driehoek tussen ‘s-Gravenpolder, Nisse en Ovezande bevond zich een prachtig intiem landschap van zogenaamd holle-bollige weilanden, omzoomd door meidoorn- en sleedorrnheggen, populieren, wilgen en essen. Hobbelige weilanden waren het resultaat van moernering, het winnen van zout uit de veenlaag onder de kleilaag.

Na de ruilverkaveling van de jaren zestig die het eeuwenoude Zeeuwse landschap grotendeels verwoestte, bleef het Heggenreservaat als restant over. Bij ‘s-Gravenpolder, rondom de Koedijk, was ook nog een heggengebied gespaard. In elke weide bevond zich een veedrinkput met een eigen unieke flora en fauna (zie het onderzoek daarvan hierboven). En soms ook een of twee lindes, die als beschutting voor het vee midden in de wei geplant waren. In de jaren zeventig werd ook dit landschap bedreigd door de plannen voor een rijksweg, vanaf de A-58, langs ‘s-Gravenpolder, naar Nisse en Ovezande. Met mijn vrienden inventariseerde ik de rijkdom aan dieren en planten, die leidde tot een publicatie: ‘De Koedijk bij ‘s-Gravenpolder, een natuurgebied bedreigd.’
We boden de brochure onder grote belangstelling van de Zeeuwse pers aan aan de burgemeester van Borsele. Daarnaast voerden we gesprekken met statenleden van verschillende politieke partijen. Helaas werd toch in de Statenvergadering tot de aanleg van de rijksweg besloten, met slechts één stem verschil…veel weiden werden omgeploegd en de eeuwenoude lindes gekapt. Dat was mijn eerste, en niet laatste ervaring met actievoeren voor het behoud van de natuur.
Christelijk geloof en natuurwetenschap
Nadat ik als afgestudeerd bioloog me bezig begon te houden met de theologie, groeide de interesse voor de relatie tussen (christelijk) geloof en natuurwetenschap. Tijdens de studie theologie merkte ik hoe anders onderzoek plaatsvindt. Natuurwetenschap werkt als regel met het verzameling van feiten, observaties, proeven en verbindt die met logische redeneringen. Daaruit wordt dan een theorie, of misschien uiteindelijk wel een natuurwet gedestilleerd. Met proeven kun je een theorie of natuurwet toetsen: klopt wat je waarneemt met eerdere waarnemingen.
Theologie werkt heel anders: zij onderzoekt de waarheid van de gebeurtenissen en van de gesproken woorden op grond van getuigenissen, juridische verklaringen, historische aanwijzingen. Zij schuwt de logica en de filosofie niet (integendeel in de Middeleeuwen noemde men die twee de dienstmeisjes van de theologie), maar zij stelt iets vast op grond van getuigenverklaringen, zoals een rechter op grond van vele getuigen en indicaties een oordeel uitspreekt. En zoals een historicus tot een conclusie komt op grond van oude teksten, papyrus-fragmenten, inscripties en (meer recent) op grond van foto’s en filmmateriaal.
Liefde voor de waarheid, intuïtie en geloof
Geregeld heb ik lezingen en interviews gegeven of artikelen geschreven over geloof en natuurwetenschap. Vaak dacht ik: zo tegenstrijdig zijn ze niet. Beiden zoeken ze naar waarheid en naar het fundament van uitspraken die een gebeurtenis of verschijnsel onbetwistbaar achten of die de zekerheid van een voorspelling garanderen. En hoe vreemd het misschien klinkt: beiden hebben liefde voor de waarheid, intuïtie en geloof nodig. Vooral de moderne natuurwetenschap werkt met waarschijnlijkheid, met intuïtieve aannames en met modellen. Bijvoorbeeld bij het onderzoek naar de kleinste deeltjes van een atoom of van een verschijnsel als magnetisme.

Terwijl een natuuronderzoeker vraagt naar het hoe van de werkelijkheid, probeert de theoloog iets te zeggen over het waartoe en het waarom van deze werkelijkheid.
In juli 2010 vroeg de redactie van Origin mij om een interview over deze thema’s. Origin was destijds de tweemaandelijks publicatie van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden. Dit interview vat een beetje samen hoe ik tegen de verhouding van christelijk geloof en natuurwetenschap aankijk. Als gesprekspartners roep ik o.a. Richard Dawkins en Alister McGrath, beiden (oud-) hoogleraren aan de universiteit van Oxford, te hulp.

Biologie, kennis van het leven, maar ook astronomie (kennis van het heelal) en kernfysica (de natuurkunde van subatomaire deeltjes) geven mij diep ontzag voor de fantastische manier waarop de werkelijkheid in elkaar zit (en we weten nog maar heel weinig!). En ik krijg grote eerbied – niet alleen voor de dingen van de Schepper, maar ook voor de Schepper van alle dingen. Er kan geen tegenstelling zijn tussen ‘Gods vinger’ (in alles wat we om ons heen zien en in ons eigen lichaam) en ‘Gods mond’ (wat Hij heeft laten optekenen in Zijn Woord). In de traditie van de kerk heeft men daarom altijd twee ‘boeken’ genoemd waardoor we God konden leren kennen: het boek van de schepping en het boek van Gods belofte: de Bijbel.
